In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is sinds 2002 artikel 21 opgenomen; het waarheidsartikel.
Op basis van dit wetsartikel bestaat het gevaar dat de opsteller van een deskundigenrapport bij de beantwoording van de door sommige rechters gestelde algemene vraag of ‘restvraag’ “heeft u overigens nog iets op te merken dat voor de beoordeling van deze zaak van belang kan zijn?” buiten het geschil treedt. Artikel 21 Rechtsvordering is niet bedoeld als opdracht aan de deskundige maar als verplichting voor partijen.
De tekst van artikel 21 Rechtsvordering luidt: Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
De tekst van het artikel stelt dat de verplichting tot het aanvoeren van de waarheid bij partijen ligt. Men kan zich afvragen of de rechter, door het stellen van de restvraag, deze verplichting bij de door de rechter benoemde deskundige kan leggen. Staan er in de artikelen 194 tot 200 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering eventueel bepalingen op basis waarvan een dergelijke verplichting wordt opgelegd of een bevoegdheid daartoe aan de deskundige kan worden toegewezen?
Algemeen geldt dat een deskundige als verlengstuk van de rechter optreedt. De deskundige dient de rechter op het betreffende vakgebied zodanig te informeren dat deze zich een juist oordeel kan vormen over de juridische consequenties van dat wat de rechter vaktechnisch gezien niet duidelijk is.
In de praktijk gebeurt dit door het stellen van een aantal vragen aan de deskundige. Deze vragen zijn opgesteld door de rechter (al of niet) in samenspraak met partijen, op enig punt in de procedure die partijen bij de rechter voeren. Deze procedure betreft uitsluitend die zaken die door partijen zijn aangevoerd. Partijen bepalen immers zelf de reikwijdte van het geschil.
Artikel 194 Rechtsvordering stelt dat de rechter een deskundige kan benoemen op verzoek van een partij. Het is voorstelbaar dat de partij die het verzoek doet, dit juist doet omdat zij wil laten vaststellen dat de andere partij bepaalde informatie in de zaak niet naar waarheid aanvoert.
De betreffende partij zou een vraag van die strekking kunnen aanvoeren om in de benoeming van de deskundige te laten opnemen. Een dergelijke vraag zou kunnen luiden: “Is de bewering van X inzake het door hem gestelde onder Y, feitelijk juist gezien de situatie Z ?” Een dergelijke vraag zal een heel specifieke situatie moeten betreffen.
Wanneer de vraag algemeen wordt gesteld, wanneer er dus feitelijk wordt gevraagd naar ‘de objectieve waarheid’ mag de rechter deze vraag naar mijn mening niet goedkeuren. De objectieve waarheid in een geschil is tweeledig: enerzijds is deze te vinden in de zin van de feiten die de deskundige op grond van zijn deskundigheid voor waar aanneemt, anderzijds bestaat deze in het samenstel van alle omstandigheden van het geval.
De vraag naar die objectieve waarheid, of het antwoord daarop, zal immers juist de kern van het geschil raken. En daarover moest de rechter beslissen en niet de deskundige.
Een algemene verplichting of bevoegdheid tot het onderzoeken van het feitelijke waarheidsgehalte van de informatie kan op basis van 194 Rv. niet aan de deskundige worden toegewezen.
Artikel 198 lid 1 Rechtsvordering verplicht de deskundige om de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen. De onpartijdigheid van de deskundige verplicht hem wel om eventuele onwaarheden op het betreffende vakgebied te benadrukken of te weerleggen in het deskundigenbericht. In veel gevallen zal een deskundige dit eigener beweging doen. Het laten bestaan van een objectieve onwaarheid benadeeld immers de andere partij. Zo een situatie in stand laten, is niet onpartijdig. Bovendien zou het niet melden van onwaarheden of in stand houden van onwaarheden tot een tuchtrechtelijke klacht bij de beroepsorganisatie van de deskundige kunnen leiden.
In deze wetsbepaling kan mijns inziens dus wel een verplichting of bevoegdheid tot het toetsen van informatie aan de objectieve waarheid worden gelezen, doch uitsluitend voor zover deze de beantwoording van de door de rechter in het benoemingsvonnis gestelde vragen betreft of voor de beantwoording daarvan van belang is.
Artikel 198 lid 2 Rechtsvordering is het artikel dat de deskundige verplicht hoor en wederhoor toe te passen, waarvan in het deskundigenbericht verslag dient te worden gedaan.
Het is partijen toegestaan om tijdens het onderzoek informatie aan de deskundige aan te geven. Het is voorstelbaar dat de ene partij de onwaarheid van (gedeelten) van informatie die door de andere partij is verstrekt te berde brengt. Wanneer deze informatie daartoe aanleiding geeft zal deze door de deskundige behandeld moeten worden en, indien die inderdaad op onwaarheid berust, recht worden gezet. In elk geval zal zodanige informatie in het verslag van het onderzoek of het deskundigenbericht terecht komen, zodat de rechter zich kan buigen over het waarheidsgehalte en daaraan de gevolgen kan verbinden die hij geraden acht.
Een algemene verplichting tot het leveren van de objectieve waarheid door de deskundige kan niet op basis van artikel 21 Rechtsvordering worden toegekend. Ook in de overige bepalingen uit Rechtsvordering die de deskundige en het deskundigenbericht betreffen, kan die algemene verplichting of bevoegdheid niet worden gelezen.
Het beantwoorden van de algemene- of parapluvraag door de deskundige dient, mijns inziens, in aanleg dan ook achterwege gelaten te worden. Dat de deskundige de objectieve waarheid in het geding moet brengen staat vast, maar uitsluitend voor zover deze de beantwoording van de door de rechter in het benoemingsvonnis gestelde vragen betreft, of voor zover de deskundige hiertoe door de hem aangeleverde informatie is verplicht. Deze verplichting komt de deskundige niet toe op basis van het nieuwe artikel 21 Rechtsvordering, maar meer op basis van overige bepalingen en de omstandigheden van het geval.
Wanneer een rechter tijdens een procedure twijfelt over het waarheidsgehalte van de door partijen aangeleverde informatie kan hij daarvoor een deskundige inschakelen. Dit is dus een opdracht van een geheel andere orde.
De opdracht in een dergelijke benoeming zou kunnen luiden: “De deskundige dient te onderzoeken of de door partijen aangeleverde informatie naar het oordeel van de deskundige op waarheid berust.”
Overigens is het de vraag of een zodanige benoeming van deskundigen op alle punten strookt met de artikelen Rechtsvordering 194 e.v. terwijl bovendien kan worden betwijfeld of de deskundige de bevoegdheden heeft om een dergelijke opdracht te kunnen volbrengen. Het lijkt me dat een dergelijke opdracht niet zonder opsporingsbevoegdheden zal kunnen worden uitgevoerd. In dat geval is de deskundige in de civiele procedure niet de aangewezen persoon maar zal een rechtercommissaris de meer geëigende functionaris zijn of deze zal in elk geval de deskundige moeten bijstaan bij zijn onderzoek.
Artikel 21 Rechtsvordering is voor de door de rechter benoemde deskundige geen aanleiding zijn opstelling of werkwijze ten aanzien van de objectieve waarheid te veranderen. Partijen bepalen de reikwijdte van het geschil. De deskundige heeft toereikende verplichtingen op basis van zijn eigen gedragscode.
In het geval een deskundige optreedt als partijdeskundige en in die hoedanigheid een rapport opstelt dat dient ter informatie of als bewijs in een gerechtelijke procedure die de betreffende partij voert, is de deskundige echter wel degelijk gehouden aan de plicht tot het aanvoeren van informatie die is gebaseerd op de objectieve waarheid. In dat geval treedt hij immers op als door een partij ingeschakelde deskundige en valt daarmee onder de verplichting die voor partijen geldt.